De klassieke definitie van burgerlijke ongehoorzaamheid vertrekt sterk vanuit geweldloos verzet als morele grond, maar recente sabotagetactieken brengen die norm onder druk
Politici en opiniemakers vroegen zich luidop af of deze tactieken nog onder burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen worden geschaard - een discussie die de kern raakt van legitiem protest. Hoewel Code Rood zich blijft profileren als burgerlijk ongehoorzame beweging, wijst de dreigingsanalyse van het Ocad - een rapport zonder tegenstem van de betrokken bewegingen zelf - erop dat de praktijk intussen verder wegschuift van puur geweldloos protest.
De klassieke definitie van burgerlijke ongehoorzaamheid vertrekt sterk vanuit geweldloos verzet als morele grond, maar recente sabotagetactieken brengen die norm onder druk. In het maatschappelijk en academisch debat rijzen nieuwe vragen: valt sabotage van materiële infrastructuur nog binnen de geweldloze traditie die door Henry David Thoreau, Mahatma Gandhi, Martin Luther King maar ook door de actie van Rosa Parks in de Montgomery Bus Boycott werd uitgedragen? Of maken deze tactieken deel uit van de zogeheten “radicale flank”?
Er ontstaat in diverse bewegingen zelf een spanningsveld tussen klassieke geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid en een breder scala aan disruptieve strategieën, waarbij de ethische en politieke grenzen volop ter discussie staan. Denk aan de woede van de vakbonden en sociale organisaties over “het kapen van de nationale actiedag in Brussel”.
En toch, dat bottom-up geweld staat echter nooit los van het geweld dat in overheidsmiddens zelf toeneemt; een inzicht dat volstrekt ontbreekt in het publieke debat. Waar blijft het inzicht en de dito zelfkritiek over het uithollen van de rechtsstatelijke democratie en het gebruik van geweld op verschillende manieren?
Radicale flanken, contrasteffecten en effectiviteit van protest
Academisch tiert de discussie over “wat ((il)legitiem) geweld is” weelderig. De Zweedse milieufilosoof Andreas Malm pleit bijvoorbeeld expliciet voor een herijking van dit debat. In zijn boek How to Blow Up a Pipeline stelt hij dat doelgerichte sabotage van eigendom – wanneer vreedzaam protest vastloopt en fossiele bedrijven systemisch schade berokkenen aan milieu en samenleving – als legitieme strategie moet worden overwogen. Malm schuift hiermee het discours op: sabotage en materiële schade zijn volgens hem niet a priori moreel verwerpelijk, maar soms juist noodzakelijk om vastgeroeste macht en inertie uit te dagen
Sabotage en materiële schade zijn volgens Andreas Malm niet a priori moreel verwerpelijk, maar soms juist noodzakelijk om vastgeroeste macht en inertie uit te dagen
Ook Candice Delmas stelt in A Duty to Resist dat burgers niet enkel het recht, maar soms de morele plicht hebben om zich te verzetten tegen onrechtvaardige instituties - ook wanneer dat verzet onbeschaafd is (uncivil disobedience): covert, ontwijkend, gewelddadig of aanstootgevend. Waar Malm zich beroept op een consequentialistische logica en politieke effectiviteit, bouwt Delmas voort op een plichtenethiek: ongehoorzaamheid is een morele plicht. Delmas wil de ethische ruimte voor verzet uitbreiden binnen het rechtvaardige handelen; Malm wil de tactische horizon van de klimaatbeweging verbreden voorbij pacifisme.
Naast eerder filosofische traktaten is het goed om naar sociologisch onderzoek naar sociale bewegingen en het radical flank effect te kijken: dat levert een erg dubbelzinnig beeld over het gebruik van geweld. De radical flank theory wijst op het mogelijke “contrasteffect”: wanneer radicale, soms gewelddadige of sabotagegerichte facties optreden, lijken matigere (meestal geweldloze) facties in het gezichtsveld van publiek en politiek redelijker en krijgen ze soms meer steun.
Voorbeelden van dat werkzame contrasteffect zijn de Amerikaanse burgerrechtenbeweging (jaren 50 en 60), waarbij militante groepen als de Black Panthers druk zetten op machthebbers met gewelddadige uitbarstingen, waardoor organisaties als de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) en Southern Christian Leadership Conference (SCLC) als “constructieve gesprekspartners” werden behandeld.
Ook onderzoek naar de vrouwenkiesrechtenbeweging laat zien dat radicale suffragettes, die aan hongerstaking en vernieling deden, gematigde suffragisten maatschappelijk aanvaardbaar maakten, wat bijdroeg tot de uiteindelijke stemrechtconcessies.
Ook onderzoek naar de vrouwenkiesrechtenbeweging laat zien dat radicale suffragettes, die aan hongerstaking en vernieling deden, gematigde suffragisten maatschappelijk aanvaardbaar maakten
Dat staat haaks op onderzoek naar de ondergrondse actiegroepen zoals het Animal Liberation Front (ALF) en later Stop Huntingdon Animal Cruelty (SHAC) tijdens de jaren 90 en 2000, die gewelddadige of intimiderende campagnes tegen dierproeflaboratoria voerden. Het radicale optreden leidde tot aanzienlijke druk op bedrijven maar ook tot negatieve media-aandacht, waardoor de gematigde organisaties in de bredere dierenrechtenbeweging werden meegesleurd in een deviance frame - activisten werden collectief als extremistisch beschouwd.
Chamberlain en Madsen wijzen echter naar de grenzen van “schadelijke effecten” van de “radicale flanken”: als het slechts om burgerlijke ongehoorzaamheid gaat of lichte sabotage. Op basis van negentien casestudies verwijzen ze naar eerder positieve effecten van radicale protesttactieken, wanneer ze duidelijk onderscheiden zijn van gematigder acties (het contrasteffect) dat die laatsten redelijker doet lijken. Wanneer radicale en gematigde actoren echter met elkaar worden verward of als immoreel worden ervaren, slaat het effect om in publieke afwijzing en verlies aan legitimiteit.
Ook diverse empirische studies wijzen vooral uit dat geweldloze campagnes en massale mobilisatie structureel effectiever zijn, sociaal draagvlak behouden en minder snel aanleiding geven tot repressie of delegitimatie.
Wanneer radicale en gematigde actoren echter met elkaar worden verward of als immoreel worden ervaren, slaat het effect om in publieke afwijzing en verlies aan legitimiteit
Tactieken die het geweldsniveau verhogen of eigendomsvernieling omvatten, leiden in de praktijk eerder tot polarisatie en delegitimering van het gehele protest, zeker als de bredere context repressief is en media focussen op incidenten. Het onderscheid tussen klassieke burgerlijke ongehoorzaamheid en radicalere sabotagevormen blijft dus niet slechts semantisch, maar heeft reële consequenties voor de maatschappelijke effectiviteit, legitimiteit en narratieven van sociale bewegingen.
Zelfs al heet materiële vernieling “strategisch”, eens dat nutteloos uitbreidt naar bijvoorbeeld het Hilton-hotel, zet het die kwestie zelf op scherp. Is dat niet wat Hannah Arendt bekritiseert in On Violence? Arendt erkent dat geweld soms ontstaat uit onmacht of onderdrukking, maar ze beschouwt het niet als een legitieme of vruchtbare vorm van politiek handelen. Echte politieke kracht groeit volgens haar niet “uit de loop van een geweer”, maar uit collectieve actie en publieke deliberatie – vormen van macht die geweld juist ondermijnen.
Politieke verontwaardiging versus structureel geweld
De maatschappelijke discussie rond sabotage, bezetting of vernieling verengt het geweldsbegrip vaak tot tastbare incidenten die morele afschuw oproepen. In dat publieke frame verdwijnen systematisch andere, diepgewortelde manifestaties van geweld uit beeld: symbolisch, structureel én fysiek geweld van bovenuit.
Terwijl de publieke aandacht zich richt op het protestgeweld - gebroken ruiten, gesaboteerde fietsen, hinder op straat - blijft het institutioneel geweld dat door beleid en bureaucratische uitsluiting ontstaat, vaak onbenoemd. De morele en juridische discussie verplaatst zich zo naar de zichtbare sfeer van protest, terwijl de geweldsproductie op structureel en beleidsmatig niveau grotendeels aan de aandacht ontsnapt, ondanks dialectiek tussen bottom-up en top-down “geweld”.
De morele en juridische discussie verplaatst zich naar de zichtbare sfeer van protest, terwijl de geweldsproductie op structureel en beleidsmatig niveau grotendeels aan de aandacht ontsnapt
Een indringend voorbeeld is de zelfmoord van de Palestijnse jongeman Mahmoud Farajalah met 'M-code' in detentie, die werd opgepakt tijdens een actie in de beurs tegen de genocide in Gaza. Dit verhaal toont pijnlijk aan hoe uitzichtloosheid en ontmenselijking in gesloten instellingen levens kunnen breken.
Even schrijnend is de situatie van gezinnen met Dublin-status - “ze moeten niet op straat slapen”, dixit de minister van Asiel en Migratie – maar zich "vrijwillig" aanmelden om naar Griekenland gestuurd te worden, waar ze in pure ontbering eindigen, die vanwege restrictief migratiebeleid stelselmatig op straat terechtkomen, verstoken van basisrechten, huisvesting en sociale bescherming, gedocumenteerd door het European Council on Refugees and Exiles.
Deze beleidsmatige uitsluiting, van geformaliseerde dakloosheid - waarvoor “de minister van Asiel en Migratie, én Maatschappelijke Integratie en Grootstedenbeleid” de middelen schrapte - tot plakkerige administratieschema's die liefde en zekerheid tussen gezinnen die zich willen verenigen onmogelijk maken, en het recente erg gewelddadige ontruimen van een kraakpand waar ook gezinnen en kinderen werden opgevangen, is een vorm van structureel geweld die nauwelijks publiek debat of morele onrust uitlokt.
En ondertussen staan ook de deportatie van Afghaanse mensen zonder wettig verblijf met "een openbaar orde"-feit, waardoor men het talibanregime legitimeert op de agenda, samen met voorstellen als "return hubs" en de externalisering van asiel in “derde veilige landen”. Geweld, iemand?
Structureel geweld manifesteert zich in institutionele praktijken die systematisch toegang tot rechten, onderwijs en bestaanszekerheid beperken
Pierre Bourdieu en Loïc Wacquant maken inzichtelijk dat geweld in moderne samenlevingen niet louter als fysiek geweld bestaat, maar in hoge mate symbolisch en structureel wordt vormgegeven. Symbolisch geweld openbaart zich via stigmatiserend taalgebruik - termen als ‘profiteurs’, ‘illegaal’, en allerlei ‘onverdienstelijke vluchtelingen of migranten’, of via juridische (toenemend wankele) labels die groepen marginaliseren.
Structureel geweld manifesteert zich in institutionele praktijken die systematisch toegang tot rechten, onderwijs en bestaanszekerheid beperken, en zo sociale ongelijkheid in stand houden. En fysiek geweld binnen deze logica is niet enkel de slag op straat, maar ook de gemedieerde uitholling van bestaanszekerheid en mentale gezondheid door langdurige onzekerheid in verblijfsstatuten, detentie en externe uitsluiting. Burgers worden gereduceerd tot dossiers, codes en procedures, terwijl levens breken onder de last van wat officieel ‘beleid’ wordt genoemd.
Menselijk fatsoen en geweldsframing
Opvallend is dat ondanks de breedte, intensiteit en emotie van recente protestbewegingen het daadwerkelijke protestgeweld tot een relatief klein aantal incidenten beperkt blijft. Het merendeel van de actievoerders kiest nadrukkelijk voor geweldloze strategieën, wat wijst op een breed gedragen norm van menselijk fatsoen en zelfbeheersing. Ironisch genoeg krijgen juist deze incidenten van sabotage of property damage, dankzij media- en politieke framing, de status van morele katalysator voor verontwaardiging.
Het structurele, institutionele en symbolische geweld van overheidswege dat tienduizenden dagelijks treft blijft onbesproken, ondanks de vaak grotere impact op individuele levens
Tegelijkertijd blijft het structurele, institutionele en symbolische geweld van overheidswege dat tienduizenden dagelijks treft onbesproken, ondanks de vaak grotere impact op individuele levens. De uitdaging voor het publieke en politieke debat is tweeledig: enerzijds niet alle vormen van geweld reduceren tot incidenten en ethische verontwaardiging, anderzijds erkennen dat structureel en beleidsmatig georganiseerde uitsluiting minstens zo destructief en ontwrichtend werkt als het zichtbare geweld waarover de krantenkoppen gaan.
In die context is het oppassen geblazen. Ten eerste, wordt de associatie van middenveldorganisaties met “de radicale flank” opgedreven, wat nu gebeurt op Vlaams niveau door organisaties als Labo vzw en Climaxi radicaal aan te vallen met intimidatie over hun subsidies – al is het maar de vraag of dat zal lukken volgens Patricia Popelier in Knack - en anderen te delegitimeren. Het bredere middenveld komt dus – in een reeds bestaande trend van aanvallen op het middenveld - onder vuur.
Ten tweede kan de radicalisering binnen politieke middens, waar beleidsmakers repressiever willen ingrijpen in wat zij als “radicale lieden en bewegingen” zien – denk maar aan het betogingsverbod van Vincent Van Quickenborne (Open Vld) en wat er bij Arizona op tafel ligt vanuit minister Bernard Quintin (MR) in “extremismebestrijding” - echter zélf effect hebben op de radicalisering van sociaal verzet en collectief protest. Lehmann en Tyson tonen in Sowing the Seeds: Radicalization as a Political Tool in de American Journal of Political Science aan dat de dreiging van gerichte repressie al voldoende kan zijn om oppositiegroepen aan te zetten tot strategische radicalisering, zelfs zonder daadwerkelijke onderdrukking.
Ten derde kan het geweldloos verzet ook het protest verlaten, waardoor radicale actoren domineren. In The Dynamics of Protest Radicalization illustreren Onursal en Hobbs dat protesten radicaliseren wanneer escalatie van staatsoptreden de kosten voor gematigden verhoogt.
De opdracht voor media, politiek en samenleving is kritisch: wie enkel spektakel en incidenten telt, mist het brede plaatje en reproduceert bestaande machtsverhoudingen
De echte perpetuum mobile van machteloze razernij is geenszins te vinden in systeemkritiek, wat Tom Naegels in De Standaard beweert, maar in de dialectiek tussen gewelduitoefening van sommige lieden van “de radicale flank” binnen sociaal protest en binnen de regering, gericht op het smoren van kritische stemmen in het brede middenveld. De aanval op het middenveld is niet nieuw, zoals Jan Naert en ikzelf betogen in een bijdrage aan het boek van de Louis Paul Boonkring dat in december uitkomt en een recent rapport van het Federaal Mensenrechteninstituut (Firm), en krijgt wind in de zeilen.
De opdracht voor media, politiek en samenleving is kritisch: wie enkel spektakel en incidenten telt, mist het brede plaatje en reproduceert bestaande machtsverhoudingen. Een kritisch en rechtvaardig debat vereist het consequent meewegen van structurele, beleidsmatige en symbolische geweldsvormen in iedere analyse en morele oordeelsvorming.
Alleen zo ontstaat een werkelijk evenwichtig gesprek over verantwoordelijkheid, legitimiteit en rechtvaardigheid in een samenleving waarin geweld uit vele richtingen opduikt. In tijden waar “illiberalisme” hoogtij viert in mainstream partijen, is het belangrijk om protest, burgerlijke ongehoorzaamheid en (infrastructureel gewelddadig) verzet tegen dat grotere plaatje te plaatsen.
Dat soort koud papieren geweld, áls het als geweld wordt onderkend, wordt gezien als legitiem, terwijl het heden de grenzen van het wettelijke opzoekt en diezelfde wet zelfs uitdaagt. (Tegelijk is het minstens even dwingend en effectief als fysiek geweld.) Door zich uitgebreid te bedienen van dat soort geweld, kan ten eerste de overheid zich minstens in het publieke debat propageren als geweldloos, gericht op een veilige samenleving. Het tegendeel is waar. De overheid organiseert rechtsonzekerheid en dús onveiligheid.
Ten tweede verstevigt dit soort geweld de uitvoerende macht ten nadele van de rechterlijke. De overheid die zich propageert als effectieve hoeder van de maatschappelijke veiligheid beweert tegelijk dat justitie dat níet langer doet. Veiligheid en rechtsstaat worden hier uit verband gespeeld. De uitvoerende macht ondergraaft justitie en dus de rechtstaat door onzichtbaar geweld te gebruiken, in een zelfgemaakte dikke marge van de wet, en het te propageren als legitiem. Meer, diezelfde overheid kan ongehoorzame burgers die protesteren tegen deze machtsverschuiving, tegen een overheid die geen veiligheid garandeert, die haar burgers niet beschermt, als de doodgravers van de rechtsstaat aanduiden. Bedreigers van orde, veiligheid en stabiliteit. (Ook omdat deze zich soms bedienen van zichtbaar, nadrukkelijk geweld.) Kunnen we de recente uitspraken van minister Van Bossuyt in dat licht plaatsen? Enkel met haar publieke bewering rechtelijke beslissingen niet uit te voeren, bedient zij zich van talig geweld. Dat burgers haar uitspraken (met bijhorende handelingen) als legitiem ervaren en zeker niet als gewelddadig percipiëren, is een gewenst effect van haar. Dat onder protesterende burgers en bewegingen relschoppers zitten, is dat ook.