Sociale normen lijken in mediterrane landen als Spanje en Griekenland meer gevolg te hebben dan conventionele juridische mechanismen om alcoholmisbruik in te perken
Op mijn Twitter-tijdlijn passeerde onlangs een intrigerende grafiek, waarop de prevalentie van alcoholmisbruik-gerelateerde sterfgevallen in Europa in kaart werd gebracht. Overmatig drankgebruik blijkt alarmerend hoog in Midden- en Oost-Europese landen, en opvallend laag in mediterrane landen zoals Spanje, Italië en Griekenland. Met een jaarlijks verbruik per persoon van zes tot negen liter zijn dit niet bepaald landen van geheelonthouders, maar ze hebben tevens een cultuur waarbij alcohol voornamelijk bij de maaltijd wordt geconsumeerd – een sterk sociaal gebeuren – en waarin dronkenschap wordt afgekeurd.
Sociale normen lijken in deze mediterrane landen meer gevolg te hebben dan conventionele juridische mechanismen om alcoholmisbruik in te perken, zoals accijnzen, beperkingen op de verkoop, verbod op consumptie in openbare ruimtes, en boetes voor openbare dronkenschap. Toch is de wet meestal het instrument bij uitstek waarmee overheden sociaal gedrag willen reguleren – van alcoholconsumptie en cruisen tot zwerfvuil en haatspraak. Is dat niet vreemd?
Wetten en gedrag
Wanneer de meesten onder ons ervan afzien te stelen, eigendommen te vernielen of onze medemensen aan te vallen, is dat niet omdat we worden afgeschrikt door wetten die dat verbieden en we bang zijn voor straf. Het is omdat we goed weten dat het verkeerd is dat te doen, zelfs als we er baat bij zouden hebben. We hebben geïnternaliseerde normen die ons vertellen wat goed en slecht is, en typisch gedragen we ons daar ook naar.
We handelen in overeenstemming met deugd- of deontologische ethiek, die interne morele principes benadrukken die gedrag sturen op basis van inherente juistheid, eerder dan externe consequenties. Dit mechanisme is strategisch en duurzaam: generieke normen van goed en kwaad waren de gedragsmatige drijfveren die aan de wieg stonden van de mensheid als sociale soort, en wanneer ze relevant zijn, kunnen ze ons ook nu nog leiden in zeer uiteenlopende situaties.
Wetten en juridische bestraffing zijn veel meer transactiegericht in hun effect: als je een overtreding begaat (en wordt betrapt), zul je worden gestraft
Wetten en juridische bestraffing kwamen veel later, en zijn veel meer transactiegericht in hun effect: als je een overtreding begaat (en wordt betrapt), zul je worden gestraft. In tegenstelling tot ethische normen moet dit mechanisme, om succesvol te zijn, ervoor zorgen dat voor elke relevante situatie de straf zodanig wordt bepaald dat deze zwaarder weegt dan het voordeel dat je zou kunnen behalen door de wet te overtreden.
Normen ontlenen hun effectiviteit deels aan evolutionaire aanpassing. Ze hielden de stammen van onze voorouders bij elkaar, en niet-naleving werd afgekeurd, potentieel zelfs bestraft met verstoting. In hedendaagse samenlevingen is het equivalent “asociaal gedrag”: we streven er nog steeds instinctief naar de normen van de groep(en) waartoe we behoren na te leven, en we mijden degenen die dat niet doen.
Bovendien beschouwen we, voor zover ze overeenstemmen met onze sociale normen van goed en kwaad, wetten als rechtvaardig en legitiem en leven we ze na. Dit staat bekend als procedurele justitie (een term bedacht door jurist en psycholoog Tom Tyler, onderscheiden van vergeldingsjustitie, die steunt op de dreiging van straf, of verdelende justitie, die de billijkheid van uitkomsten nastreeft). Sociale normen sluiten ook sterk aan bij persoonlijke waarden, wat ze tot een duurzame leidraad maakt voor gedragsregulering, geworteld in intrinsieke motivatie in plaats van kostelijke externe dwang.
Econoom Gary Becker introduceerde het concept van de rationele crimineel, die berekent dat hij of zij, zelfs met de straf, er nog steeds beter van af zou komen
Waarom kunnen wetten ineffectief zijn? Klassiek onderzoek door Uri Gneezy en Aldo Rustichini illustreert hoe negatieve prikkels averechts kunnen werken. Ouders kwamen routinematig te laat hun kinderen ophalen van een kinderdagverblijf, waardoor het personeel langer moest blijven. Toen men een systeem van boetes invoerde, begonnen nog meer ouders te laat te komen, waarbij ze de boete gewoon beschouwden als de prijs voor extra tijd. Econoom Gary Becker had eerder al het concept van de rationele crimineel geïntroduceerd, die berekent dat hij of zij, zelfs met de straf, er nog steeds beter van af zou komen. Bovendien wordt het louter invoeren van wettelijke beperkingen soms gezien als een bedreiging van gedragsvrijheid, en dat kan opzettelijke niet-naleving uitlokken, een verschijnsel bekend als reactance.
Niet iedereen houdt zich echter aan wetten en sociale normen. Psycholoog Lawrence Kohlberg stelde een theorie voor van gefaseerde morele oordeelsontwikkeling, met een pre-conventionele fase waarin gehoorzaamheid en straf centraal staan, een conventionele fase waarin wet-en-orde-moraliteit ontstaat, en een post-conventionele fase, gekenmerkt door de aanvaarding van universele ethische principes. Kohlberg ging ervan uit dat veel mensen die ultieme fase nooit bereiken. Voor hen moet gedragsregulering gebruik maken van de instrumenten van de eerdere fasen – wet en orde, en prikkels en straffen die inspelen op eigenbelang.
Het verlies van normen
Het vergt niet veel verbeelding om te schetsen hoe een samenleving eruitziet waarin het vermijden van straf ieders gedragskeuzes bepaalt
Hier rijzen dan twee potentiële problemen. Een eerste is dat, wanneer wettelijke sancties gedrag niet daadwerkelijk ontmoedigen, ze riskeren te verworden tot een simpele transactiekost. Overtredingen worden genormaliseerd en de heersende normen slijten af: als het op de grond gooien van afval amper wordt bestraft, zullen steeds meer mensen niet langer de moeite doen om hun troep in de prullenbak te gooien.
Misschien nog erger is dat dit de intrinsieke motivatie vervangt van ons morele kompas door de transactiegerichte logica van prikkels: wanneer we ophouden af te zien van zeker gedrag omdat we het verkeerd vinden, en het slechts nalaten omdat we straf willen vermijden, wordt dat de drijfveer van ons gedrag. Het vergt niet veel verbeelding om te schetsen hoe een samenleving eruitziet waarin het vermijden van straf ieders gedragskeuzes bepaalt.
De vloed van alsmaar aangroeiende juridische en paralegale teksten lijkt moeilijk te stuiten: niet alleen wetboeken, maar ook documenten zoals bedrijfshandboeken, gedragscodes van universiteiten, of professionele ethische richtlijnen worden dikker en langer, waarbij sociale normen worden geabsorbeerd. Bovendien verschuift de verantwoordelijkheid voor het bewaken van die normen naar meer repressieve handhaving door gespecialiseerde functies – HR, politie, ethische commissies. De precisie van het geschreven woord en specifieke bewakers suggereren betere, meer objectieve controle, door middel van bureaucratische vereenvoudiging van de complexe dynamiek van vage, ongeschreven sociale normen.
Maatschappelijke veranderingen hebben impliciet bijgedragen aan deze verschuiving. Voortschrijdende verstedelijking (56% van de mondiale bevolking woont nu in steden) heeft de gemeenschapszin van dorpen waar families generaties lang woonden, en waar mensen niet alleen hun buren kenden, maar het hele dorp, uitgehold. De impliciete collectieve verantwoordelijkheid van mensen met een duidelijk, waargenomen belang bij de goede werking van hun gemeenschap is vervluchtigd nu mensen mobieler zijn geworden. Stedelijk leven is veel anoniemer, en sociale bewaking door vreemden gebeurt veel minder.
Socioloog Zygmunt Bauman beschreef de “vlotte moderniteit” – mensen bewegen ongehinderd door sociale posities: nieuw huis, nieuwe baan, nieuwe partner, nieuwe waarden
Socioloog Zygmunt Bauman duidde dit aan als “vlotte moderniteit” – mensen bewegen ongehinderd door sociale posities: nieuw huis, nieuwe baan, nieuwe partner, nieuwe waarden, en raken zo de traditionele ondersteuningsstructuren kwijt. Dit zou kunnen verklaren waarom de schijnbare zekerheid van de wet zo aantrekkelijk is.
Maar terwijl juridische kaders goed werken in gebieden zoals contractrecht en handelsregelgeving, zijn ze veel minder effectief om sociaal gedrag te reguleren, relaties tussen mensen te sturen, en genuanceerde ethische uitdagingen te beantwoorden. De wet lijkt de dubbelzinnigheid van sociale normen weg te nemen, maar die helderheid is slechts schijn. Handhaving van wetten en regels rond haatspraak, asociaal gedrag, pestgedrag of openbare protesten is niet alleen onderhevig aan interpretatie en politieke vooringenomenheid. Het schept technische naleving, maar zonder authentiek ethisch begrip, en ondermijnt persoonlijke verantwoordelijkheid, wakkert repressie aan en smoort vrije meningsuiting.
De wet lijkt de dubbelzinnigheid van sociale normen weg te nemen, maar die helderheid is slechts schijn
Net zoals harde prikkels intrinsieke motivatie kunnen verdringen, kunnen wetten en bijbehorende handhaving de invloed van sociale normen verzwakken. In plaats van een diep en duurzaam innerlijk besef van goed en kwaad, glijden we af naar een transactiegerichte betrokkenheid bij de samenleving, primair gericht op het vermijden van straf – en dat betekent niet noodzakelijk het naleven van regels, maar het profiteren van de lage pakkans, of het actief ontwijken ervan.
Onze sociale interacties zijn niet statisch, maar dynamische ecosystemen die voortdurend een nieuw evenwicht zoeken tussen formele regels en ongeschreven verwachtingen. Het begrijpen van die complexiteit nodigt ons uit om bewuster na te denken over hoe we de normen die ons verbinden, tot stand brengen en onderhouden. Als we de essentie van een goed functionerende samenleving willen vrijwaren is de uitdaging duidelijk: niet weerstand te bieden aan verandering, wel bewust de sociale mechanismen vormgeven die onze collectieve waarden weerspiegelen.