De VS hebben (samen met Israël) Iran aangevallen. De Amerikaanse president had eerder niet alleen zijn voorgangers bekritiseerd omdat zij oorlogen waren begonnen uit eigenbelang, hij had ook onomwonden beweerd dat het land onder zijn leiding geen militaire avonturen zou aangaan in verafgelegen landen. En toch: de president is van gedachten veranderd. Tegelijkertijd stuit de operatie op veel kritiek – tot aan de paus toe. Sommigen hekelen de vaagheid van de opgegeven motieven, anderen noemen de actie onrechtmatig omdat ze in strijd is met het internationaal recht, of omdat onderhandelingen nog gaande waren en geen kans kregen tot een conclusie te komen, of omdat er geen sprake was van een onmiddellijke dreiging. En sommigen zijn sowieso onvoorwaardelijk tegen militair geweld.
Er kunnen goede redenen zijn om van mening te veranderen, maar die geeft de Amerikaanse president niet
Toch vertoont het verhaal aan beide kanten van de controverse een opvallende leemte. Er kunnen goede redenen zijn om van mening te veranderen – nieuwe informatie misschien, of een gewijzigde situatie – maar die worden hier niet gegeven. Op dezelfde manier laat wie aanvoert dat de actie niet gerechtvaardigd is, zonder te zeggen onder welke omstandigheden ze wél gerechtvaardigd zou zijn, een lacune. Van beide kanten zien we flinke retoriek, maar niet veel in de onderbouwing. Is dat niet vreemd?
De kracht van wanneer
Enkele jaren geleden schreef ik over de wanneer-beslissing, een instrument dat voorwaarden toevoegt aan onze beslissingen: het zet ons aan tot actie wanneer die voorwaarden zijn vervuld, het toont wanneer we een tijdelijke beslissing moeten laten varen wanneer ze niet langer van toepassing zijn, en het behoedt ons voor willekeurige keuzes. Maar dit kleine bijwoord kan meer doen voor ons. Het kan ook ons denken scherper stellen wanneer we ‘voelen’ dat een bepaalde actie gerechtvaardigd is (of net niet).
De wanneer-vraag beantwoorden dwingt ons immers te verwoorden welke specifieke factoren ons van mening hebben doen veranderen, of ons zouden doen instemmen met een beslissing waar we ons nu tegen verzetten. Zo wordt het ook een geloofwaardigheidstoets: bovenop het onderbouwen van onze redenering, legt het de prioriteiten bloot die ons van koers doen wisselen. Het wijst precies aan welke hogere waarde de schending van de mindere waarde aanvaardbaar maakt – de waarde die ons tot dan toe in de status quo hield.
Maar is die inspanning eigenlijk wel nodig? Hugo Mercier en Dan Sperber betogen dat ons vermogen tot redeneren zich niet heeft ontwikkeld om logische consistentie te bieden of de waarheid te ontdekken, maar om te overtuigen – onszelf en anderen. We trachten in de eerste plaats te valideren wat we al geloven: we voelen dat iets het geval is of gedaan moet worden, en we gaan op zoek naar aanwijzingen dat we gelijk hebben. Retoriek klinkt gezaghebbend, en leent zich daardoor perfect om die bevestiging te leveren. Is het dan niet veel gemakkelijker om wat zware woorden aaneen te rijgen die eruitzien als redenen voor wat we vinden dat er moet gebeuren, dan om te speuren naar gaten in onze redenering? (Het is zelfs minder pijnlijk – we willen onszelf namelijk liever niet op fouten betrappen.)
We voelen dat iets het geval is of gedaan moet worden, en gaan op zoek naar aanwijzingen dat we gelijk hebben
Bovendien is retoriek vaak heel geschikt om mensen mee te krijgen die al aan onze kant staan. In een klassiek experiment uit 1977 stelde Ellen Langer vast dat mensen die stonden aan te schuiven bij een kopieerapparaat veel gemakkelijker bereid waren iemand voor te laten gaan als hun verzoek het woord ‘omdat’ bevatte, zelfs als de opgegeven reden volkomen circulair was (“omdat ik kopieën moet maken”). Om het even welk excuus voor het opstarten van operatie Epic Fury, hoe oppervlakkig ook, is voor enthousiaste aanhangers van de Amerikaanse president voldoende om zich erachter te scharen. Aan de andere kant volstaat om het even welk argument om de operatie te veroordelen om de steun te krijgen van de tegenstanders en criticasters.
Wanneer de inspanning de moeite waard is
Ook al is al wat leeft er van nature op gericht niet meer energie te verbruiken dan strikt noodzakelijk, toch kan het de extra moeite lonen de wanneer-vraag te beantwoorden. Ten eerste scherpt het ons denken aan. Door terdege de omstandigheden te doordenken die ons de zaken over een andere boeg laten gooien, behoeden we ons voor een luie post-hoc-rechtvaardiging van een willekeurige, impulsieve of door eigenbelang gestuurde beslissing waar we later spijt van kunnen krijgen. Het weerhoudt ons ervan onze eigen retoriek voor zoete koek te slikken, en hem als vervangingsmiddel voor een argument te gebruiken.
Als we de bombastische retoriek achterwege laten en een geloofwaardig wanneer-verhaal naar voren brengen, maken we meer kans op respect
Ten tweede kan een heldere redenering het verschil maken tussen afgedaan worden als irrelevant en onbeduidend, en serieus genomen worden. Ook al hebben we weinig hoop onze tegenstanders te overtuigen, niemand wordt graag door hen uitgelachen wegens gebrek aan onderbouwing. Als we de bombastische retoriek achterwege laten en een geloofwaardig wanneer-verhaal naar voren brengen – of we nu de omstandigheden uitleggen die ons van mening hebben doen veranderen, of de omstandigheden die ons zouden doen omslaan – maken we meer kans op respect, zelfs van mensen die we hoogstwaarschijnlijk toch niet zullen overtuigen.
Willen we enkel preken voor eigen parochie en ons niets aantrekken van de indruk die we maken op de andere parochie, of als we er sowieso niet in geïnteresseerd zijn om onze standpunten degelijk te onderbouwen, dan hebben we aan retoriek meer dan genoeg. Als we echter waarde hechten aan onze geloofwaardigheid, in eigen ogen én in die van anderen – voor- of tegenstanders – dan is ‘wanneer’ onze vriend. De voorwaarden die een koerswijziging teweegbrengen helder formuleren, openlijk en vóór we ze daadwerkelijk maken: zo laten we zien dat we een weloverwogen standpunt innemen – en de moeite hebben genomen het te onderbouwen.