Decennia geleden, als jonge snotaap, trad ik in dienst bij een groot bedrijf. Tijdens de inwijdingscursus gaf de instructeur de nieuwe medewerkers een wijze raad mee: “Don't assume, or you make an ASS out of U and ME” (Maak geen aannames, want zo maak je een ezel van jou en van mij) – een ezelsbruggetje dat me tot op de dag van vandaag bijblijft. Een paar jaar eerder had ik het beslist goed kunnen gebruiken: als ingenieursstudent lagen mijn sympathieën vooral bij het progressieve ideeëngoed, waaronder ook verzet tegen kernenergie. Het leek mij een goed onderwerp om wat activisme aan te zwengelen binnen de faculteit, en ik hing een aantal posters op voor de inaugurele bijeenkomst van een “Werkgroep Kernenergie”. Mijn verbazing was groot toen de meeste van de zowat twaalf aanwezigen neutraal of zelfs positief tegenover kernenergie bleken te staan. Mijn welkomstwoord, geschreven rond de aanname dat iedereen uiteraard kritisch zou zijn, zonk als een baksteen, in een wolk van gêne.
Aannames liggen onzichtbaar ten grondslag aan hoe we beslissingen nemen en oordelen vellen, totdat ze op de werkelijkheid stuiten
Niet dat het advies van de instructeur naderhand meteen veel uithaalde, overigens. Een jaartje later waren we net vanuit België naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd, en op onze eerste Britse zondagmiddag stapten we onaangekondigd binnen bij een goede collega. Het tafereel was er een van wederzijdse verbazing: ik was ervan uitgegaan dat — net als thuis — vrienden elkaar regelmatig spontaan bezochten; hij en zijn vrouw verwachtten duidelijk niet dat fatsoenlijke mensen zoiets deden. Geen van ons beiden had bewust het tegendeel van onze eigen respectieve aannames overwogen. Dit typeert het verschijnsel nauwkeurig: aannames liggen onzichtbaar ten grondslag aan hoe we beslissingen nemen en oordelen vellen, totdat ze op de werkelijkheid stuiten (of op een strijdige aanname). Is dat niet vreemd?
Het fundament onder de oppervlakte
Aannames zijn de onzichtbare draagbalken van ons wereldbeeld. Diep vanbinnen coderen ze de fundamentele patronen die, in onze perceptie, de werkelijkheid sturen en ons helpen te voorspellen wat onzeker is. Sommige weerspiegelen de fysieke wereld: we nemen aan dat de zwaartekracht morgen nog hetzelfde werkt als vandaag, dat onze auto niet stuk zal gaan, dat er water uit de kraan komt als je ze opendraait. Maar de meeste betreffen onze omgang met medemensen: we nemen aan dat ze kleren zullen dragen, een zekere afstand bewaren, reageren als we hen aanspreken.
Aannames zijn vanzelfsprekende waarheden, moeilijk onder woorden te brengen maar gemakkelijk aan te voelen — we beseffen feilloos wanneer ze kloppen en wanneer ze botsen. Ze vormen het impliciete, moeilijk rechtstreeks waarneembare fundament waarop meer expliciete en zichtbare sociale normen gebouwd zijn. Ondanks dat onderscheid is er een sterke verbinding tussen beide: ze zijn als de twee uiteinden van een polaire molecule, het ene aangetrokken door het licht, het andere noodgedwongen in de schaduw.
Aannames kunnen betrekking hebben op allerlei aspecten van menselijk gedrag. Sommige zijn cultureel van aard (“bij een vriend ben je altijd welkom”, verschillende culturele opvattingen over stiptheid of gepaste emotionele uitingen). Andere zijn dieper persoonlijk en houden verband met onze ontwikkeling: onze jeugd thuis kan ons de aanname hebben meegegeven dat ouders warm en ondersteunend zijn, of juist streng en afstandelijk. Op school hebben we wellicht aannames verworven rond macht en hiërarchie, en over hoe je met gezag omgaat. Zelfs aannames die een normatieve, morele lading lijken te hebben, beschrijven in wezen verwachte gedragspatronen: leden van de eigen groep steunen elkaar onvoorwaardelijk, mensen maken geen misbruik van het vertrouwen dat anderen in hen stellen.
Overtuigingen zijn bewust, terwijl aannames op de achtergrond opereren
Ze lijken wel wat op overtuigingen, maar er is een belangrijk verschil: overtuigingen zijn bewust, terwijl aannames op de achtergrond opereren. We kunnen ze in concrete bewoordingen formuleren en verdedigen, maar het zou niet eens bij ons opkomen een aanname te verdedigen. Aannames worden geabsorbeerd eerder dan aangeleerd, en dat verklaart waarom we ze ervaren als natuurlijke waarheden en niet als bewuste keuzes. Het zijn referentiekaders, onze onbekende bekenden — we zijn ons niet bewust dat we ze koesteren, totdat ze worden geschonden.
Aannames bieden onmisbare houvast bij het nemen van beslissingen, zodat we niet voor elke stap die we zetten talloze aspecten hoeven te verifiëren. Maar ze vervullen ook een tweede rol, die misschien nog belangrijker is. We koesteren allemaal één grote meta-aanname van vermoedelijke convergentie: de onuitgesproken, ongetoetste en – cruciaal – doorgaans correcte veronderstelling dat de mensen met wie we omgaan het referentiekader delen dat door onze eigen aannames wordt gevormd. Dat gedeelde kader verricht een enorme hoeveelheid werk om de tandwielen van de sociale interactie te smeren, en het doet dat onopgemerkt — totdat het misloopt, met gevolgen die uiteenlopen van een moment van lichte gêne tot iets veel diepgaanders.
Wanneer aannames botsen met de werkelijkheid
Hoe we reageren op het plotselinge besef dat die convergentie er niet is, hangt af van de aard van de aanname in kwestie. Sommigen zijn contextueel bepaald. We zijn misschien opgegroeid in een land waar men rechts rijdt, en nemen dat aan als een algemene waarheid, net zo natuurlijk als het feit dat huizen hun dak bovenaan hebben. Die aanname komt op losse schroeven te staan wanneer we een land bezoeken waar links wordt gereden. Als we dan ook nog achter het stuur zitten en letterlijk worden geconfronteerd met het aannameconflict door een automobilist uit de tegenovergestelde richting, ervaren we een gêne vergelijkbaar met die van mij tijdens de eerste (en enige) bijeenkomst van de Werkgroep Kernenergie, of bij het onaangekondigde bezoek aan mijn collega. Zelfs als we de vernedering van onze naïeve, bekrompen onwetendheid bespaard blijven, zullen we onze aanname bijstellen en verfijnen.
Maar zo'n heroverweging is niet aan de orde wanneer het gebrek aan convergentie een aanname betreft die we als universeel beschouwen — een aanname waarvan we verwachten dat ze voor iedereen geldt. Stel je voor dat een collega door een administratieve vergissing jouw salarisbrief ontvangt, en die met je collega's deelt. Of stel je voor dat je, tijdens haar voortschrijdende Alzheimer, dagelijks voor je moeder hebt gezorgd, die uiteindelijk is opgenomen in een zorgcentrum op dertig kilometer afstand. Je bezoekt haar drie keer per week; de reiskosten zijn aanzienlijk, maar haar financiën kunnen dat makkelijk dragen — en ze stond er altijd op iedereen te vergoeden die iets voor haar deed. Dan krijg je plots te horen dat je broer zijn veto stelt tegen die vergoeding en volhoudt dat één bezoek per maand natuurlijk ruim voldoende is.
Je aannames over collegialiteit, en over de loyaliteit van kinderen tegenover bejaarde ouders, zijn niet contextgebonden maar universeel, en hebben een moreel gewicht. Omdat de schendingen niet enkel gedragsmatig zijn, maar bepalend voor iemands karakter, valt hier niets te heroverwegen, en lost een hercalibrering niets op. En dus grijpen we naar een drastischere reactie: uitsluiting. We negeren de collega, of verbreken de band met de broer.
Het is pas wanneer aannames botsen, dat we een glimp te zien krijgen van hun contouren, en dat we wijzer kunnen worden
Onze reacties wanneer aannames worden geschonden tonen aan dat ze meer zijn dan louter onzichtbare leidraden bij het nemen van beslissingen. Ze kunnen een mechanisme zijn om te beseffen dat ons wereldbeeld te beperkt of te naïef was, en een signaal om het bij te stellen en te verfijnen. Meer nog: onze instinctieve reactie op schendingen van universele aannames laat zien dat ze ook grenzen van verbondenheid tekenen. De vermoede convergentie van aannames sorteert mensen impliciet: een ingroep (zij die ze delen), niet gevormd door akkoord of verklaring, maar door de stilzwijgende bevestiging van een gemeenschappelijk referentiekader, en een uitgroep (zij die ze niet delen). Dat maakt een botsing van universele aannames definitief en fataal: er is geen plaats in onze groep voor iemand die ze niet deelt.
Het is pas wanneer aannames botsen, dat we een glimp te zien krijgen van hun contouren, en dat we wijzer kunnen worden — en dan nog tegen een prijs: het ongemak van gêne, of de emotionele pijn van een verbroken relatie. Maar we kunnen die prijs verlagen door bewust potentiële aannameconflicten te formuleren, en na te gaan wat onze hypothetische reactie zou zijn. Zo brengen we onze onbekende bekenden aan het licht, en al zal dat onze onderliggende aannames niet veranderen, het maakt ons er wel bewuster van.