Je worstelt met de schroefdop van een flesje frisdrank, of met het deksel van een pot jam. Was er maar een trucje om je greep wat steviger te maken! Wel, er is goed nieuws. Denk aan het krachtigste scheldwoord dat je kent en mompel het binnensmonds terwijl je nog één keer alles geeft. Dit is een fenomeen – met een meer laboratoriumgerichte vorm van inspanning – dat psycholoog Richard Stephens aan de universiteit van Keele, samen met collega's onderzocht: deelnemers die vloekten konden een opdrukoefening gemiddeld 10% langer volhouden. Een bescheiden maar consistent effect, gerepliceerd bij driehonderd deelnemers in twee experimenten. Je kracht opkrikken door stevig te vloeken, is dat niet merkwaardig?
Je kracht opkrikken door stevig te vloeken, is dat niet merkwaardig?
Dit is op zich geen geheel nieuwe bevinding: een paper uit 1961 van Michio Ikai en Arthur Steinhaus beschrijft hoe deelnemers die een schreeuw slaakten terwijl ze aan een gewicht trokken, tot 26,5% beter presteerden. We horen ook wel eens sporters schreeuwen en kreunen in disciplines als gewichtheffen en tennis. De theorie luidde aanvankelijk dat onze kracht normaal gesproken geremd wordt, en dat onder meer schreeuwen die remmen kan losgooien — vermoedelijk via een fysiologisch mechanisme van autonome prikkeling, ondersteund door de verhoogde hartslag die typisch gepaard gaat met vloeken. Maar onderzoek toonde aan dat de krachtwinst ook optrad zonder fysiologische signalen. Wat dit recentste onderzoek nu suggereert, is dat vloeken een psychologische toestand van ontremming teweegbrengt — het “tegengaan van de neiging om je in te houden”.
We zijn allemaal geremd
Die neiging om je in te houden heeft haar oorsprong in het gedragsremmingssysteem (Behavioural Inhibition System of BIS), dat impulsieve acties onderdrukt en sociaal wenselijk gedrag bevordert. De tegenhanger daarvan, het gedragsactivatiesysteem (Behavioural Activation System of BAS), treedt in werking wanneer het BIS wordt onderdrukt, en vernauwt de focus naar onmiddellijke doelen, geeft prioriteit aan actie, en schuift conflicterende sociale overwegingen opzij.
Bewust vloeken — een sociale overtreding — onderdrukt kort het BIS, waardoor onze verlegenheid daalt, onze innerlijke criticus het zwijgen wordt opgelegd, een toestand van flow ontstaat, en ons zelfvertrouwen stijgt. De daaruit voortvloeiende psychologische ontlading geeft ons de ruimte om onze grenzen af te tasten. De theorie van de ‘centrale bestuurder’, geformuleerd door sportwetenschapper Tim Noakes in 1997 (gebaseerd op een idee dat fysioloog en Nobelprijswinnaar Archibald Hill in 1924 als eerste opperde), geeft dit beschermingsmechanisme zijn meest treffende verwoording: een hersenproces dat de fysieke output beperkt door te bepalen hoeveel spierweefsel het lichaam kan inzetten.
Dit complexe systeem is een cruciale evolutionaire aanpassing. Organismen die hun interne reserves als grenzeloos beschouwen, zouden die al snel volledig uitputten, en structurele en uiteindelijk onomkeerbare schade aan het lichaam toebrengen (met name aan de hartspier), waardoor ze niet meer in staat zijn hun energie aan te vullen en zich voort te planten. Wij zijn de gelukkige nakomelingen van hun neven mét de aanpassing, die ons, een beetje zoals een snelheidsbegrenzer in een auto ons behoedt voor schade aan onze portemonnee, zo niet aan onszelf of andere weggebruikers. Het inperken van beschikbare spiervezels voorkomt dat extreme inspanning ons letterlijk kapot maakt: we ervaren dit als vermoeidheid, en gaan het wat kalmer aan doen.
Organismen die hun interne reserves als grenzeloos beschouwen, zouden die al snel volledig uitputten
Wat we via vloeken kunnen bereiken, is niet zozeer het opzij zetten van het bestuurdersproces, maar er heimelijk omheen sluipen om een direct beschikbare kortetermijnreserve aan te boren — beperkt in omvang, maar die uitputten veroorzaakt geen schade, en ze is relatief snel weer aangevuld. De vermoeidheid die we voelen, hoe reëel en waarachtig ook, is grotendeels niet meer dan een signaal en geen rechtstreeks teken van uitputting – zoals een overload-indicatie op een opnameapparaat af en toe geen probleem is, maar continu wel.
Dit is echter slechts een deel van het verhaal. Wat als een situatie vereist dat we alle registers moeten opentrekken? Ook daarvoor heeft de evolutie ons de middelen gegeven. We blijken immers tot bovenmenselijke kracht in staat te zijn, beter (en nauwkeuriger) bekend als hysterische kracht. Zulke prestaties halen nu en dan het nieuws of gaan viraal op sociale media. In september 2019 raakte een man die aan de onderkant van zijn VW Passat werkte geklemd onder de auto toen de krik het begaf. Gewaarschuwd door de hulpkreten van zijn vrouw snelde de zestienjarige buurjongen te hulp, en slaagde erin de auto lang genoeg op te tillen zodat anderen hem konden bevrijden. Meer recent circuleerden bewakingscamerabeelden waarop een jongetje van een jaar of vier gekneld raakt onder een zwaar metalen hek. Zijn iets oudere speelkameraad aarzelt aanvankelijk tussen blinde paniek en proberen het hek op te tillen, kiest voor dat laatste, beseft dat het zijn krachten verre te boven gaat, begint weg te lopen om hulp te zoeken, en keert dan terug voor een tweede poging. Ditmaal slaagt hij er wel in het hek op te heffen, waardoor het kleinste jongetje eronder vandaan kan kruipen.
De bestuurder buitenspel
Beide gevallen illustreren perfect hoe het remmingssysteem van de centrale bestuurder hier niet zozeer wordt omzeild, maar overweldigd door signalen vanuit de amygdala (het emotionele centrum van onze hersenen) en de hypothalamus (de hormonale starter), die samen de noodsituatie omzetten in een vloedgolf van adrenaline die de beschermende reflexen van het lichaam uitschakelt die normaliter maximale spiercontractie verhinderen.
In extreme noodsituaties haalt ons lichaam alles uit de kast
Alle beschikbare spierkracht, exclusief voorbehouden voor echte leven-of-dood-situaties, wordt gemobiliseerd. Maar dat heeft een prijs: herstellen van de schade aan pezen, gewrichten en spieren is pijnlijk en kan ons voor dagen of weken buiten strijd stellen. Dat is waartegen de bestuurder ons normaal beschermt. Alleen de meest intense emotionele prikkels kunnen hem zo volkomen aan de kant zetten: bekommernis of angst die zo ver buiten het normale valt dat zelfbehoud niet langer relevant is.
Dit opmerkelijke systeem voor extra kracht werkt op twee niveaus: een bescheiden, toegankelijke buffer net voorbij het normale plafond van de bestuurder — ontgrendeld met een wachtwoord dat ieder van ons bewust kan gebruiken: een kreun of een vloek, de kortstondige list van een sociaal taboe. Veel verder bevindt zich een noodreserve, hermetisch afgesloten en alleen toegankelijk wanneer zelfbelang niet meer aan de orde is. In extreme noodsituaties, wanneer intense emoties alle remmen los werpen, haalt ons lichaam alles uit de kast — koste wat het kost. Het hoofdwachtwoord om deze maximale reserve vrij te geven, wordt pas ingezet wanneer het zelfbesef zelf naar de achtergrond is verdwenen.
De meest ingrijpende beslissing die we ooit kunnen nemen — waarbij we bereid zijn onszelf op te offeren — is geen keuze die we via bewuste redenering maken: ze is ingebouwd in ons systeem. Er is een “wij” om het scheldwoord in te zetten en de bestuurder te verschalken met de onverwachte vloek. Maar op dit extreme niveau is het maximale waartoe we in staat zijn alleen beschikbaar wanneer we zijn opgehouden onszelf te zijn — wanneer ons diepste instinct, zelfbehoud, wordt genegeerd.
En dat alles om iemand anders te helpen. Is dat niet waarlijk merkwaardig?