Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De terugkeer van de afweging

21 januari 2022 Koen Smets
balance2
Het SARS-CoV-2-virus heeft beleidsmakers met de neus op de feiten gedrukt. (© Freepik)

Vele landen kijken aan tegen recordaantallen dagelijkse besmettingen met Covid-19: eerder deze week telden de Verenigde Staten er 800.000 (driemaal het vorige record), Frankrijk had er 300.000 (vijf keer hoger) en Denemarken telde er 29.000, acht keer meer dan de vorige piek en een half procent van de hele bevolking. In België waren er meer dan 33.000 (en de piek is nog niet bereikt), terwijl het Verenigd Koninkrijk twee weken geleden aftopte op 180.000 gevallen. Niet meteen de context waarin je het over de afbouw van maatregelen en beperkingen zou hebben. Toch is dat opportuun.

Eigenlijk zijn het niet zozeer de maatregelen en beperkingen die onze aandacht verdienen, zelfs al is het op deze manier dat onze individuele en collectieve levens worden beïnvloed door het beleid dat onze politieke leiders verzinnen en uitvoeren. Wat belangrijker is, is hoe deze leiders hun beslissingen nemen: wat te doen, of er überhaupt iets moet worden gedaan, en zo ja wanneer en met welk doel.

Bij het begin van de pandemie zetten de meeste landen in op twee prioriteiten: verhinderen dat de gezondheidszorg het zou begeven, en het aantal overlijdens door Covid-19 beperken. Beide prioriteiten richtten zich erop een catastrofe te vermijden en wanneer zoiets dreigt, worden er slechts weinig vragen gesteld. De schrijnende beelden uit de ziekenhuizen in het noorden van Italië, de eerste Europese regio die zwaar werd getroffen door Covid-19, waren een luide oproep tot actie.

Gelukkig was er een gemeenschappelijke doelstelling die beide prioriteiten kon dienen: het aantal infecties inperken, want dat was de directe oorzaak van zowel ziekenhuisopnames als overlijdens. “De curve afvlakken – flatten the curve”, dat was het parool.

Extreme situaties

Het gaat een beetje in tegen de intuïtie, maar beslissingen nemen is best gemakkelijk in zulke extreme omstandigheden. Het doel is dan bijzonder simpel en de voordelen wanneer het wordt bereikt, zijn zo kolossaal dat de betrokken kosten en consequenties onbeduidend lijken. Wanneer je huis in brand staat, ga je je er ook niet om bekommeren dat je in je pyjama op straat loopt terwijl je je kinderen in veiligheid brengt of dat de brandweerlieden hun voeten niet vegen.

Je gaat je zelfs geen zorgen maken over de brandwonden die je tijdens de evacuatie oploopt, of over het feit dat de brandweer je voordeur inbeukte en niet netjes aanbelde. De zwaarte van de aanvankelijke lockdowns en de kosten die regeringen maakten voor steunmaatregelen, zelfs in landen als het Verenigd Koninkrijk waar geen vrijgevige technische werkloosheid bestaat, tonen aan in hoeverre 'koste wat het kost' ook werkelijk gold.

Het is ook gemakkelijk omdat er geen tijd is voor diepgaande studies over kosten, baten, risico’s en consequenties. Als het ook maar een kansje heeft doelmatig te zijn, proberen maar! Wanneer de nood het hoogst is, zijn de bewijsstandaarden het laagst.

De beleidsmakers tastten natuurlijk, net als wij allen, in het duister. Met een pandemie op de schaal van Covid-19 hebben we sedert meer dan vier generaties niet te maken gehad, en het was dus onbekend terrein voor iedereen. Ze moesten zich dus wel richten naar experten voor advies over hoe het aantal infecties naar beneden te brengen en daar te houden: virologen, epidemiologen, biostatistici en zo meer. Zelfs al hadden ook zij nooit een pandemie van deze omvang meegemaakt, ze hadden tenminste de wetenschappelijke kennis die de besluitvorming kon begeleiden.

En of er vlot werd geadviseerd. Het advies richtte er zich vooral op doemscenario’s te vermijden, en dat werd onvermijdelijk gretig omarmd door de beleidsmakers die trots en herhaaldelijk verklaarden dat ze “de wetenschap volgden”. Dit was echter een ondeugdelijke aanpak, en wel om twee redenen: het is niet zo dat de wetenschap je kan vertellen wat je moet doen, en selectief wetenschappelijke inzichten uit een bepaalde discipline toepassen leidt niet tot evenwichtige beslissingen en beleid.

Wetenschappers als adviseurs

Wetenschappers zijn geen beleidsmakers en hun aanbevelingen, geïnspireerd door de wetenschappelijke kennis in hun specifieke vakgebied, houden geen rekening met de complexe afwegingen die bij beleidsvorming komen kijken. De wetenschap kan de beleidsmakers informeren en hen helpen de afwegingen te beoordelen, maar niet dat oordeel voor hen maken.

Adam Oliver, een gedragseconoom aan de London School of Economics (LSE), voert aan dat gedragswetenschappers het oordeel over beleidsmaatregelen moeten overlaten “aan diegenen die zijn aangesteld om alle relevante beschouwingen af te wegen”. Ik zou daaraan toevoegen dat dit niet enkel geldt voor zijn collega’s-gedragswetenschappers, maar voor alle wetenschappers.

Noodgevallen uitgezonderd is geen enkel beleidsdoel zo belangrijk dat het rechtvaardigt dat alle andere doelen worden verwaarloosd. De aanhoudende exclusieve focus op het aantal infecties als uniek richtsnoer leidt niet tot gedegen beleidsvoering. Paul Dolan, een psycholoog aan de LSE, pleit al langer voor een breder gedragen manier van beleidsvorming in het licht van de pandemie.

Samen met een groep collega’s stelt hij het gebruik voor van een maatstaf die zowel levensverwachting als levenservaring vat. Een beleidsmaatregel – een lockdown, zeg maar – kan zo worden beoordeeld aan de hand van het aantal levensjaren dat hij toevoegt aan (of wegneemt van) de levensverwachting door de inperking van de verspreiding van het virus, én middels het inschatten van de mate waarin het beperken van sociaal contact het subjectieve welbevinden beïnvloedt.

De maatstaf, die tentatief de naam WELLBY kreeg, doet denken aan een gelijkaardig instrument dat gebruikt wordt in de beoordeling van behandelingen in de gezondheidszorg. De QALY (wat staat voor Quality-Adjusted Life Years) laat toe verschillende behandelingen met elkaar te vergelijken, niet enkel over hoeveel langer een patiënt kan leven, maar ook wat betreft de kwaliteit van die extra levensjaren.

Die QALY mag dan al geschikt zijn voor het stellen van prioriteiten in het beperkte domein van de gezondheidszorg, de WELLBY dreigt echter in te spelen op de simplistische tendensen van huiverige beleidsmakers door hen een eenvoudige maatstaf aan te reiken om te optimaliseren, zonder al de complexiteiten van gedegen beleidsvorming.

red flag
Nul verkeersslachtoffers met behulp van een rode vlag. (© IF)

Johanna Thoma, een filosoof ook al aan de LSE (er wordt beslist flink gedebatteerd in die instelling!), wijst op de moeilijkheden om rekening te houden met de verdeling van de werkelijke effecten van een beleid als je zo’n unieke maatstaf hanteert. Twee verschillende maatregelen met hetzelfde effect gemeten volgens die maatstaf kunnen tot behoorlijk verschillende uitkomsten leiden voor verschillende demografische groepen (bijvoorbeeld bejaarden en schoolgaande kinderen).

De equivalentie die de maatstaf aangeeft, verhult dit en zou “niet enkel alle omstreden ethische beslissingen maskeren die bij de constructie ervan werden genomen, maar ook de aanbevelingen een air van wetenschappelijke autoriteit geven die het moeilijk maken voor beleidsmakers ervan af te wijken”. Hierbij zou ik nog opmerken dat sommige beleidsmakers wellicht zo’n simpele maatstaf met open armen zouden ontvangen, omdat die hen zou ontlasten van het probleem van redelijke meningsverschillen, van hun verplichting hun keuzes te argumenteren en van de verantwoordelijkheid ervoor.

Afwenden van simplisme

Naarmate we voortschrijden naar het begin van het einde van de pandemie moeten politieke leiders zich afwenden van het simplisme dat het beleid heeft gekenmerkt gedurende de laatste twee jaar. We kunnen lachen om de draconische maatregelen die worden toegepast in een totalitair regime als dat van China – zoals de vijf miljoen inwoners van de stad Anyang die niet buitenshuis mogen tenzij ze negatief testten, want er zijn twee gevallen van de omikronvariant vastgesteld, of het verzegelen van een kantoorgebouw met de medewerkers er nog in, omdat een onder hen positief testte voor omikron.

Maar het is niet omdat de verplichting een vaccinatiebewijs te tonen om een winkel binnen te mogen, de sluiting van scholen, en zelfs maskerplicht minder extreem zijn, dat politieke leiders ze mogen handhaven zonder dat ze aantonen op basis van welke bewijsmaterialen ze de relevante afwegingen hebben gemaakt.

Het zou makkelijk zijn het aantal verkeersdoden te verminderen – zelfs helemaal tot nul. Ik ben ervan overtuigd dat de oude rode-vlagverkeersregels dat doel met gemak zouden bereiken: eis gewoon dat iemand met een rode vlag voor elk motorvoertuig stapt. Gelukkig maken we hier redelijke afwegingen en is het aantal verkeersdoden niet de enige maatstaf om het verkeer te regelen.

Mogen we dan van politieke leiders verwachten dat ze op een gelijkaardige manier afwegingen maken over Covid-19?

LEES OOK