De auteurs van deze bijdrage zijn allen verbonden aan de Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent. De volledige lijst met namen lees je onderaan.
In dit opiniestuk geven we algemene achtergrondinformatie over de racistische pseudowetenschap die in de artikels wordt vernoemd. Die informatie maakt duidelijk waarom de term ‘racistische pseudowetenschap’ een terecht label is voor de ‘rassentheorie’ die door een informeel netwerk van auteurs in leven wordt gehouden. Bovendien leggen we uit hoe dit netwerk er soms toch in slaagt om hun artikels in academische tijdschriften te publiceren. Dit betekent niet dat hun ideeën aanvaard worden door de wetenschappelijke gemeenschap.
Peer review is geen onfeilbare methode om onzin buiten te houden
Omdat het voor mensen buiten de academische wereld niet altijd duidelijk is hoe dergelijke tijdschriften werken, geven we een korte uitleg over het proces van peer review. We tonen daarbij dat het geen onfeilbare methode is om onzin buiten te houden. Het is een systeem dat gebaseerd is op vertrouwen en daarom kwetsbaar is om gekaapt te worden door individuen en netwerken met minder goede bedoelingen. Net daarom vinden we het des te belangrijker om als filosofen en ethici dergelijke racistische pseudowetenschap expliciet te verwerpen.
Human Diversity Foundation
In oktober 2024 berichtte The Guardian over de activiteiten van een internationaal netwerk van extreemrechtse figuren en racistische pseudowetenschappers die actief probeerden om hun ideeën ingang te doen krijgen in het publieke debat en in de academische wereld. Een onderzoeker van de antiracistische organisatie Hope Not Hate was erin geslaagd deze organisatie te infiltreren en verschillende bijeenkomsten op video vast te leggen.
Die organisatie, Human Diversity Foundation (HDF), is een voortzetting van Pioneer Fund, een organisatie die in 1937 opgericht werd in de Verenigde Staten. Een van de eerste activiteiten van Pioneer Fund bestond uit het verspreiden van de Nazi-propagandafilm Erbkrank (‘Erfelijke ziekte’). Ook na WO II bleven zij hun activiteiten verderzetten. Die bestonden vooral uit het financieren van onderzoek naar eugenetica en de vermeende inferioriteit van niet-witte ‘rassen’.
De organisatie presenteerde zichzelf als een charitable organisation met als centrale activiteit ‘rasverbetering’. Pioneer Fund zat ook achter de oprichting van het pseudowetenschappelijke tijdschrift Mankind Quarterly, waarin veel eugenetische en racistische IQ-literatuur nog steeds een plaats vindt. Een van de bekendste leden en voortrekkers van Pioneer Fund was Richard Lynn. Zijn werk over ras, IQ en dysgenics wordt in wetenschappelijke kringen verworpen, maar het vormt nog steeds een van de referentiepunten voor white supremacists en race realists die over IQ schrijven.
HDF financierde onderzoek naar eugenetica en de vermeende inferioriteit van niet-witte ‘rassen’
In 2022 vervelt de Pioneer Fund tot Human Diversity Foundation (HDF). Aan het roer staat Emil Kirkegaard, een extreemrechts internetfiguur en expliciet racist. Kirkegaard had nauwe banden met Richard Lynn en was ook betrokken bij Mankind Quarterly. Dat tijdschrift zou nu in handen zijn van HDF. Kirkegaard richtte ook een eigen tijdschrift op: OpenPsych. Daar publiceert hij artikels van hemzelf en vrienden die geweigerd werden in wetenschappelijke tijdschriften. Het tijdschrift werd eerder al omschreven als een pseudoscience factory-farm.
In een online meeting met de undercoverjournalist gaf Kirkegaard een overzicht van de structuur van HDF. De organisatie bestaat uit een media-arm en een ‘undercover onderzoeksarm’. Die laatste is een voortzetting van de activiteiten van Pioneer Fund. De ‘onderzoekers’ in dit netwerk komen wekelijks samen om hun activiteiten te coördineren. Ze hanteren daarbij een vaste werkwijze, waarbij ze eerst hun artikels proberen binnen te loodsen in standaard academische tijdschriften. Indien dat niet lukt, publiceren ze de stukken in Mankind Quarterly of OpenPsych.
Schijn van wetenschappelijke geloofwaardigheid
Human Diversity Foundation maakt deel uit van een breder informeel netwerk van zogenaamde scientific racists, die meestal focussen op de vermeende (maar wetenschappelijk nooit aangetoonde) causale connectie tussen ras en intelligentie. Hun werk heeft vaak ook een eugenetische component. Een terugkerend idee binnen dit netwerk is namelijk dat de gemiddelde intelligentie van de wereldbevolking daalt door een zogenaamd proces van dysgenics. Dat is een problematisch concept dat verwijst naar een vermeend proces waarbij de genetische kwaliteit van de mensheid daalt omdat een ‘verkeerde soort’ mensen te veel kinderen maakt en een ‘goede soort’ mensen te weinig.
Hoewel er geen overtuigend empirisch bewijs is voor het plaatsvinden van dergelijke dysgenics, wordt het idee toch in leven gehouden door dit netwerk van elkaar citerende auteurs. Door elkaar te citeren, krikken deze auteurs het aantal citaties van elkaars artikels op kunstmatige wijze op, wat de schijn van wetenschappelijkheid en relevantie verhoogt. De mate waarin iemand geciteerd wordt, heeft ook een belangrijke impact op diens academische reputatie. Door deze mechanismen te kapen, proberen deze auteurs de schijn te wekken dat hun ideeën wel degelijk serieus genomen worden binnen de wetenschappelijke gemeenschap.
Door elkaar te citeren, krikken deze auteurs het aantal citaties van elkaars artikels op kunstmatige wijze op, wat de schijn van wetenschappelijkheid en relevantie verhoogt
OpenPysch en Mankind Quarterly worden niet gezien als betrouwbare academische tijdschriften. Maar auteurs in dit bredere netwerk slagen er soms toch in om hun artikels te publiceren in wetenschappelijke journals. Dit doen ze in tijdschriften die bekend staan (of stonden) voor hun open houding ten opzichte van eugenetische ideeën en scientific racism, zoals bijvoorbeeld Personality and Individual Differences en Intelligence.
Personality and Individual Differences werd opgericht door Hans Eysenck. Gedurende verschillende jaren werd Eysencks betaald door het reeds vermelde Pioneer Fund. Hoewel Eysenck een grote naam is in de geschiedenis van de psychologie, kwam zijn werk in 2020 postuum in opspraak. Meer dan tien artikels werden ingetrokken, bij tientallen anderen werd er een waarschuwing toegevoegd dat er twijfels zijn over de betrouwbaarheid van het onderzoek. Redenen om de artikels terug in te trekken waren onder andere het gebruiken van onbetrouwbare data, het bevooroordeeld selecteren van data en andere methodologische uitschuivers.
Verschillende papers in Personality and Individual Differences kwamen daarbij in het vizier, maar het tijdschrift weigerde ze in te trekken uit respect voor de grote meester. Richard Lynn was eveneens lid van de redactie van het tijdschrift. Het tijdschrift publiceerde onder andere twee special issues gewijd aan figuren uit de Pioneer Fund-stal. Een eerste werd gewijd aan Richard Lynn zelf. Een tweede werd gewijd aan J. Philippe Rushton. Rusthon was net als Lynn een prominent Pioneer Fund-lid, die expliciet racistische standpunten verdedigde. Het psychologie-departement waar hij gewerkt had, distantieerde zich achteraf expliciet van zijn werk. De special issues werden beheerd door Helmuth Nyborg, die op de extreemrechtse conferentie Scandza Forum het publiek toesprak over de nakende ramp veroorzaakt door ‘laag-intelligente immigranten’ die volgens hem Europa overspoelden.
Helmuth Nyborg sprak op de extreemrechtse conferentie Scandza Forum het publiek toe over de nakende ramp veroorzaakt door ‘laag-intelligente immigranten’
Richard Lynn zat ook in de redactieraad van het tijdschrift Intelligence. Gerhard Meisenberg was ook redacteur bij dit tijdschrift, net als Heiner Rindermann. Over die laatste later meer. Meisenberg was net als Lynn een tijd directeur van Pioneer Fund en is nog steeds hoofdredacteur van het pseudowetenschappelijke Mankind Quarterly en eveneens redacteur bij Emil Kirkegaards OpenPsych. In april dit jaar besliste de redactieraad van Intelligence om een nieuwe wind te laten waaien en meer energie te besteden aan het vermijden dat dit soort bedenkelijke studies een forum krijgt in het tijdschrift.
De aanwezigheid van deze figuren in redacties van deze tijdschriften verklaart hoe dubieuze papers toch een ingang kunnen vinden in wetenschappelijke tijdschriften. Om dit te begrijpen moeten we een korte uitleg geven over het systeem van zogenaamde ‘dubbelblinde peer review. Wanneer een onderzoeker een artikel indient bij een tijdschrift, wordt dit toegewezen aan (of aangenomen door) een bepaalde redacteur. Deze redacteur zoekt dan reviewers die het artikel lezen, nakijken op fouten en oordelen of het verdient om gepubliceerd te worden. De redacteur beslist vervolgens op basis van de verslagen van die reviewers of het artikel uiteindelijk gepubliceerd wordt.
Redacteurs volgen meestal de beslissing van de reviewers, maar in principe hebben zij de vrijheid om die ook naast zich neer te leggen. Het systeem is vaak dubbelblind: de reviewers horen niet te weten wie het artikel schreef en ook de auteur hoort niet te weten wie het stuk evalueert. Maar peer review is geen waterdicht systeem en is gebaseerd op vertrouwen en het plichtsbesef van redacteurs. Zij hebben een zeer grote invloed op het gehele proces: ze bepalen welke artikels worden uitgestuurd voor review, welke reviewers worden aangesteld en welke eindbeoordeling er gemaakt wordt. Indien zij een artikel van een bevriend onderzoeker in het tijdschrift willen krijgen, kunnen zij ervoor kiezen om een reviewer te kiezen waarvan geweten is dat die sympathie heeft voor de in het artikel verdedigde punten.
Verder hangt er ook veel af van de mate waarin een reviewer een expert is in de betreffende materie en effectief tijd investeert in het controleren van een artikel. Er zijn in elke wetenschappelijke discipline tientallen voorbeelden te vinden van papers die door de mazen van het net van peer review glippen en achteraf terug ingetrokken worden op basis van kritiek. Hierdoor kan het soms gebeuren dat deze auteurs er toch in slagen om in niet-geïnfiltreerde tijdschriften een artikel gepubliceerd te krijgen.
Heiner Rindermann verwijst onder andere naar gesprekken met taxichauffeurs en hotelreceptionisten om vervolgens conclusies te trekken over redeneervermogens
Een tekenend voorbeeld van deze feilbaarheid van peer review is een artikel van Heiner Rindermann. Rindermann publiceerde verschillende papers in OpenPysch en Mankind Quarterly en is zelf redacteur bij OpenPsych. In 2024 slaagde hij erin om een artikel te publiceren in het tijdschrift Discover Education over de lage resultaten op testen die cognitieve vermogens meten bij mensen uit zogenaamde ‘ontwikkelingslanden’. Om te tonen dat deze lage resultaten inderdaad te verwachten zijn, baseert Rindermann zich onder andere op anekdotische verhalen over zijn eigen ervaringen met mensen uit de betrokken landen. Zo verwijst hij onder andere naar gesprekken met taxichauffeurs en hotelreceptionisten om vervolgens conclusies te trekken over redeneervermogens. Na hevige kritiek werd het artikel achteraf terug ingetrokken wegens “concerns about the methodology and dataset used in [the] research”, waaronder “the prominence of individual examples taken from the author’s life”.
Geen legitimatie van racistische pseudowetenschap
Binnen de relevante wetenschappelijke gemeenschappen wordt er regelmatig bezorgdheid geuit over de pogingen van deze groepen om de academische wereld te infiltreren of over het misbruiken en verkeerd weergeven van wetenschappelijke resultaten voor racistische doeleinden. We hebben hierboven besproken hoe deze figuren op verschillende manieren proberen om hun ideeën een schijn van academische geloofwaardigheid te bezorgen.
Ook binnen de filosofie zijn er mensen die hieraan meewerken. In 2020 publiceerde de filosoof Nathan Cofnas bijvoorbeeld een artikel in Philosophical Psychology waarin hij vrij onderzoek naar group differences in intelligence verdedigde. Cofnas is populair in de kringen rond Human Diversity Foundation. Hij werd in 2024 bekend bij een breder publiek door een controversiële blogpost waarin hij stelde dat in een echte meritocratie “blacks would disappear from almost all high-profile positions outside of sports and entertainment” omdat ze, volgens Cofnas, nu eenmaal minder intelligent zijn.
De publicatie van Cofnas’ artikel in Philosophical Psychology leidde tot een reactie van een groep filosofen die het tijdschrift bekritiseren voor de beslissing om het artikel te aanvaarden. De schrijvers van de brief verdedigen de vrijheid van filosoferen, maar menen dat deze vrijheid niet misbruikt mag worden: “This way of representing unproven metaphysical theories as if they are scientifically sound crucially oversteps the extent of speculation usually tolerated in philosophy journals.”
Wij zijn voorstanders van vrij onderzoek, ook binnen de filosofie. De vakgroep kan en moet een vrijplaats zijn voor het denken, ook over controversiële onderwerpen
Voorstanders van scientific racism proberen hun inzichten niet alleen voor te stellen als wetenschappelijke feiten, ze verwijten wetenschappers die hun werk openlijk bekritiseren de academische vrijheid te willen beknotten. Ze zien zichzelf als slachtoffers van een ideologisch gedreven cancel culture en als de echte verdedigers van vrij wetenschappelijk onderzoek. Zoals door verschillende onderzoekers is aangetoond, komt deze voorstelling niet overeen met de werkelijkheid.
Wij zijn voorstanders van vrij onderzoek, ook binnen de filosofie. De vakgroep kan en moet een vrijplaats zijn voor het denken, ook over controversiële onderwerpen. Soms is het zo dat vrij onderzoek naar controversiële onderwerpen ongemakkelijke waarheden blootlegt. Wat echter belangrijk is, is om ons als onderzoekers bewust te zijn van het feit dat onze academische affiliatie - al dan niet terecht - legitimiteit geeft aan onze beweringen.
Wanneer we via ons onderzoek komen tot wat zo’n ongemakkelijke waarheid lijkt te zijn, is het dan ook onze academische plicht om deze te checken en dubbelchecken, om te allen prijze te voorkomen dat dubieuze claims een legitimiteit krijgen die onterecht is, vooral als daardoor maatschappelijk onrecht veroorzaakt of versterkt wordt.
In dat opzicht is het ook onze plicht om een inschatting te maken over de mate waarin ons onderzoek gekaapt kan worden door mensen die uit zijn op het bereiken van minder deugdelijke doelen dan vrije wetenschap. Wanneer dit gevaar bestaat, dient de nodige voorzichtigheid en kadering aan de dag gelegd te worden om dit soort recuperatie en misinterpretatie van onderzoeksresultaten te vermijden. Het is duidelijk dat racistische pseudowetenschap deze toetsen niet doorstaat.
De auteurs zijn allen verbonden aan de Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent. Zij schrijven dit stuk in eigen naam. De namen werden alfabetisch gerangschikt op familienaam:
Dorian Accoe, doctoraatsonderzoeker bio-ethiek
Emiliano Acosta, gastprofessor wijsbegeerte
Sofie Avery, doctoraatsonderzoeker feministische filosofie
Pieter Beck, postdoctoraal onderzoeker wetenschapsfilosofie en wetenschapsgeschiedenis
Kjell Bleys, onderwijsbegeleider ethiek en moraalwetenschappen
Tom Claes, professor ethiek
Lei Decappelle, doctoraatsonderzoeker familie-ethiek
Michiel De Proost, postdoctoraal onderzoeker bio-ethiek
Jelle De Schrijver, docent vakdidactiek wijsbegeerte en moraalwetenschappen
Benjamin De Vos, doctor-assistent antieke en middeleeuwse wijsbegeerte, docent Jodendom
Farah Focquaert, professor wijsgerige antropologie
Levi Haeck Gormez, postdoctoraal onderzoeker transcendentale filosofie
Dries Josten, doctoraatsonderzoeker wijsbegeerte
Lara Jacxsens, doctoraatsonderzoeker bio-ethiek
Kobe Keymeulen, doctoraatsonderzoeker moderne en hedendaagse filosofie
Annelies Lannoy, gastdocent godsdienstwetenschappen
Merel Lefevere, onderwijsbegeleider theoretische wijsbegeerte
Heidi Mertes, professor medische ethiek
Veerle Provoost, professor empirische en filosofische ethiek
Seppe Segers, professor ethiek en moraalwetenschap
Sigrid Sterckx, professor ethiek en politieke en sociale filosofie
Seppe van Bladel, doctoraatsonderzoeker public engagement en risk communication
Jeroen Van Bouwel, gastprofessor wetenschapsfilosofie
Maarten Van Dyck, professor in geschiedenis en filosofie van de wetenschappen en in geschiedenis van de filosofie
Lina Vekeman, doctoraatsonderzoeker esthetica
Sofie Vercoutere, praktijkassistent wijsbegeerte en moraalwetenschappen
Kato Verghote, postdoctoraal onderzoeker familie-ethiek
Thomas Vervisch, praktijkassistent wijsbegeerte
Sigrid Wallaert, postdoctoraal onderzoeker feministische filosofie
Karim Zahidi, postdoctoraal onderzoeker wetenschapsfilosofie